NATHALY PENGEL-WONG: LANGA LIBI LANGA SI SANI

Plantage La Prospérité *)

Mijn meisjesnaam is Wong, mijn opa was van Chinese afkomst. Hij was goudzoeker en had drie winkels. Winkelhouders werden 'omu' (oom) genoemd in Suriname. Daarom noemden de mensen mijn opa: omu, omu Wong Pang Own. Mijn oma had Afrikaanse roots.

Tweeënzestig jaar geleden vertrok ik naar Nederland om orthopedagogiek te gaan studeren. Nederland was in die tijd een heel ander land. Ik ontmoette mijn man, August Pengel. De politicus Johan Adolf Pengel (waar het vliegveld bij Paramaribo naar genoemd is) was een neef van hem. De Pengels stammen af van tot slaaf gemaakten bij de plantage La Prospérité, ook wel bekend als Bersaba, gelegen aan de Coropinakreek.
Toen ik mijn man leerde kennen, woonde hij al in Nederland, in Zeist. Hij was lid van het Zeister zendingsgenootschap van de, protestantse, Evangelische Broedergemeente (EBG), ook wel bekend onder de van oorsprong Duitse naam 'Hernhütters'.
In 1735 kwamen de eerste, Duitse, Hernhütters naar Suriname. Ze deden veel aan bekeringswerk, maar richtten ook de eerste scholen op voor de mensen die op de plantages slavenarbeid verrichtten. Ook al werd Winti verboden, veel mensen beleefden naast het protestantisme van de EBG in het geheim ook hun oorspronkelijke godsdienst en hadden dus twee religies: die van de voordeur (Protestant) en van de achterdeur (Winti).

In mijn eigen familie werd er niet veel gesproken over het slavernijverleden. Ik heb er zelf wel veel over gelezen. En ik heb twintig jaar lang met ex-slaven gewerkt, die hebben het live meegemaakt en dan zie je wel wat ervan over is. Een man van honderd jaar oud, die het leven als tot slaaf gemaakte op de plantage aan den lijve meegemaakt heeft, vertelde mij ooit dat hij met andere mannen Winti aan het dansen was in het bos. De mensen wilden hun cultuur vasthouden. De Duitse priester ging erheen omdat het niet mocht. Alle mannen gingen trommelen. De priester raakte in trance, hij kreeg Winti! Vele jaren later werd Winti ook op de plantage toegestaan. Inmiddels is in Suriname de Evangelische Broedergemeente uitgegroeid tot het grootste protestantse kerkgenootschap, momenteel zijn daar zo'n 60.000 leden. De combinatie van Winti en Protestantisme is blijven voortbestaan.

Mijn man en ik hebben drie kinderen, Lydia, Jean en Guus. Jean is onze pleegdochter, maar Guus en Jean zijn als een tweeling voor ons, en voor elkaar. Toen Guus 13 jaar oud was, in 1976, gingen we terug naar Suriname, we bleven daar tot 1995.
 Mijn man was, vanuit de EBG, directeur van achtentwintig scholen in het binnenland. Ik werd hoofd van een LOM-schoolMijn man heeft veel voor de mensen op de plantages gedaan. In 2017 is hij daarvoor onderscheiden met een ridderorde.

Ik heb Keti Koti altijd herdacht. En omdat mijn man bij de EBG werkte, organiseerden we ook allerlei activiteiten voor de scholen en de kerk. Het was dan echt feest, er werden liedjes gezongen, er werd gedanst. Er werd op de plantage ook een wintiprei gehouden. Maar mijn man vond dat eng, hoor, hij was bang om winti te krijgen.

Naast het deelnemen aan de festiviteiten op de plantage gingen we ook met de hele familie naar het feest. Er waren bazaars en de vrouwen kleedden zich in de prachtigste koto's en angisa's.

Ik gebruik de term 'Keti Koti' vaak, niet alleen in de periode van juni tot en met 1 juli. Het is alles omvattend. De ketenen zijn verbroken! Het reikt verder dan je eigen identiteit vind ik. Ik heb tijdens mijn opvoeding geleerd: je bent niet meer dan een ander. En ook niet minder dan een ander. Ik ben wie ik ben en niemand doet me wat. Een slachtofferrol? Wat heb je daaraan? In Suriname werd veel gediscrimineerd. Wanneer de ouders van een kind het schoolgeld van twee gulden vijftig per maand niet konden betalen, werd het kind naar huis gestuurd. Maar ook hier in Nederland gebeurden dit soort dingen. Denk maar aan de mensen die na 1948 vanuit Indonesië naar Nederland kwamen.
 Ik ben blij dat de mensen van onze jongere generatie hier hun mond opendoen. En dat geldt ook voor, bijvoorbeeld, de Molukse jongeren van nu.

Wat ik draag tijdens Keti Koti: wanneer ik met Afimo (mijn club, Afimo is een samensmelting van 'afi', dat betekent 'geboren op vrijdag' en 'mofina', 'arm'), dan draag ik een Surinaamse hoofddoek, een Angisa. De laatste keer droeg ik een Mis' de Neef (te zien op de foto rechtsboven, MJ)Er zijn vele manieren om de hoofddoek te vouwen, de bekendste stammen van de slavernijtijd, bijvoorbeeld: Proois ede, Mis' de Neef, Let them talk, A mek sani, Pauw tere, Oto baka en Lontoe ede. Die laatste is een hoofddoek voor het rouwen.

Het grootste feest hier in Nederland vindt plaats in het Oosterpark in Amsterdam. In Suriname wordt het ook groots gevierd, ook in de kerken. Nog even over het belang van geschiedenis: de kerken deden de administratie van de plantage-eigenaren. Boven mijn man's kantoor zijn er allerlei rijkdommen en archieven teruggevonden. Daar vind je ook stukken waarbij de eigenaren hun erfenissen aan slaven gaven. Al deze stukken bevinden zich nu in een kluis van de Surinaamse Bank.

Ik vind dat Keti Koti zeker een nationale feestdag zou moeten worden. Maar, niet alleen feestdag, er moet ook een herdenking aan vooraf gaan! De kennis van en bewustwording over de eigen geschiedenis is zó belangrijk!

Een ander deel van die geschiedenis is trouwens het feit dat het slavernijsysteem in Afrika is ontwikkeld (dat komt ook in de netflix-serie 'High On The Hog' aan de orde, ga die zien!) en dat het op sommige plekken nog steeds bestaat. Ik vind dat de mensen meer van hun geschiedenis moeten kennen. Zo weten de meeste mensen hier bijvoorbeeld niet dat de Marrons al veel langer vrij zijn dan 1863 / 1873.

Veel zaken worden niet goed onderwezen.

 

Nathaly Pengel - Wong
Heeft gewerkt als onderwijzeres en als maatschappelijk werkster.
Studeerde pedagogiek aan de Universiteit van Leiden.
Geboren in Suriname (1934). Woont in Nederland (Den Haag).

*) De foto van La Prospérité boven dit verhaal is afkomstig uit: Archiv der Brüder Unität Herrnhut. Bron: Ellen Klinkers, Op hoop van vrijheid.

Nathaly op haar balkon in Den Haag

De doekjes van katoen, bij de tori van Nathaly.
De inkt maakte ik van de Afrikaantjes op haar balkon.

'Gouverneur Jonkheer Mr. T.A.J. van Asch van Wijk met gezelschap op de plantage La Prospérité.' Foto gemaakt door J.E.  Muller, 1893-1894. Collectie Tropenmuseum. 

Het Surinaamse liedje, 'Faya si ton no bron mi so' is niet zo vrolijk als veel kinderen die het in Nederland op school hebben geleerd zouden denken. Nathaly vertelt in deze korte video waar de tweede zin over gaat ...
Het is het lied waar het meest naar wordt verwezen door  de mensen die aan dit project mee hebben gedaan. Rudo, Marianen Moi Misi zingen het ook.
Bovendien staat de titel van het lied op de doekjes die ik bij Moi Misi's tori  maakte.

Nathaly bekijkt mijn map met portretten - de afrikaantjes op het balkon - inkt maken van de geplukte bloemblaadjes  - het potje met inkt